Buitengebied

Donderdag 2 maart stond de discussie over het buitengebied van Súdwest-Fryslân op de agenda. Een voorronde voor het definitieve Ontwerp Bestemmngspan Buitengebied later dit jaar. Hieronder mijn bijdrage.

Sinds het verschijnen van de ‘Uitgangspuntennotitie Buitengebeid Súdwest-Fryslân’ (2012) en de provinciale nota ‘Op ‘e romte’ (2014) zijn de ontwikkelingen in de melkveehouderij en intensieve veeteelt razendsnel gegaan. Vooral het verdwijnen van het melkquotum, nieuwe wetgeving over stikstof en problemen met mestproductie (derogatie) zijn bepalend geweest in de discussie hoe om te gaan met ons buitengebied. Ook het voortbestaan van vaak kleinschalige familiebedrijven staat onder grote druk. Daarnaast willen de inwoners steeds meer meepraten over, sterker nog directe invloed hebben op hun leefomgeving en landschap. Niet voor niets staat de leefbaarheid van het platteland op de agenda van de dorpentop, de dorpsbelangen, gemeenteraden en provincie. 

De inspraakreacties geven ook aan, dat de ontwikkelingen soms sneller gaan dan we denken en dat de situatie van de bedrijven in werkelijkheid een stap verder is dan geschetst. Of, dat de bedrijven meer ruimte willen hebben voor nieuwe ontwikkelingen, eigen initiatieven en innovatie. Vaak betekent dat, dat agrarische bedrijven meerdere bedrijfstakken combineren of dat graag willen. Bijvoorbeeld met horeca, met toerisme, met zorg, met MKB-bestemming. Bedrijvigheid op één bedrijf, die elkaar versterkt, die niet zonder elkaar kan. Op dit moment, en ook in het komende Bestemmingsplan Buitengebied, levert dat veel misverstanden en bureaucratie op.

Biologische landbouw gaat een grotere rol spelen. Kleinschalige landbouw is, ook volgens deskundigen van de Universtiteit van Wageningen, de toekomst. Welzijn van mens en dier, aandacht voor milieu en landschap zijn thema’s die we moeten meenemen in de discussie over ons buitengebied.

De reactienota en de intentie van het college in het voorontwerp geven aan, dat het definitieve bestemmingsplan Buitengebied ‘conserverend van aard’ zal zijn. Toch zal dit invloedrijke bestemmingsplan voor 10 jaar vastgesteld worden.

We kunnen niet tien jaar wachten, de situatie van nu vraagt om heroriëntatie op wat we met ons buitengebied willen, welke ontwikkelingen we willen stimuleren en waar we wat willen (gebiedsgericht werken). Al die nieuwe ontwikkelingen, die initiatieven vragen om een goede inpassing in nieuw beleid. Niet voortdurend via maatwerk een afwijkende bestemming of een (drie)dubbele bestemming voor een individueel bedrijf regelen.

In een motie heb ik vervolgens opgeroepen het komende Bestemmingsplan Buitengebied te beschouwen als het begin van de discussie met onder andere de volgende kaders: meerdere bestemmingen op een bedrijf als regel in plaats van uitzondering; biologische en kleinschalige landbouw. De motie heeft het niet gehaald. Wel heeft de wethouder toegezegd, op aandringen van GroenLinks, voordat het definiteve ontwerp in de raad komt, weer eerst met de raad om tafel te gaan.

Angeline Kerver