Als we niet kunnen meten wat belangrijk is, maken we belangrijk wat we kunnen meten.

Van een collega kreeg ik bovenstaande leus toegezonden. Hij is raak.
De leus is op alle terreinen van toepassing. Scholen worden afgerekend op toetsbare resultaten, die voorbijgaan aan bijvoorbeeld de emotionele en sociale ontwikkeling van het kind, laat staan aan de ervaring die ze ook op school moeten opdoen dat ze kinderen zijn die er mogen zijn. In de ouderenzorg worden werkenden afgerekend op het aantal cliënten dat ze per dag kunnen verzorgen of behandelen, in plaats op de aandacht die ze ouderen geven. In de zorg wordt gemeten hoe snel mensen opknappen van een kwaal, terwijl er geen oog is hoe mensen met hun beperkingen moeten leren omgaan, terwijl dat laatste toch de eigenlijke opgave voor ieder mens is.

 

Het zijn maar een paar willekeurige voorbeelden en iedereen kan die zomaar aanvullen met voorbeelden uit de eigen omgeving. Alleen harde cijfers van zaken die we kunnen meten, worden belangrijk gevonden. Sterker nog: vrijwel het hele financieringssysteem is er op gericht. Politieke programma’s worden er op doorgerekend en met de uitkomsten daarvan slaan politici elkaar om de oren. Daardoor wordt alleen wat we kunnen meten belangrijk gemaakt. En vergeten wordt dat dingen die werkelijk belangrijk zijn (na een kwaal nieuw leren leven, aandacht voor elkaar, passie, kwaliteit van leven, welbevinden, een schone leefomgeving) helemaal niet meetbaar zijn. Wat werkelijk belangrijk is, telt dus niet mee.

Dat moet anders!

Dat het ook anders kan, is te lezen in het boek van Jesse Klaver, De mythe van het economisme. Daarom voor iedereen de tip die ik aan mijn collega gaf: “Kopen dat boek. En lezen!”

Aart Veldhuizen, Sneek